Mountainbiken in de heilige vallei van de Inca’s
Auteur: Lin Louage
Heb je al eens gemountainbiket?’, vraagt de gids. Voor zo ver ik me herinner heb ik in het Pajottenland en in de Vlaamse Ardennen al eens op een mountainbike gezeten. Een tochtje in de Urubambavallei in het zuiden van Peru zag ik dus wel zitten.
Rond 8 uur pikt een busje onze groep op aan het hotel in de Incastad Cusco (Amaru II). Onderweg naar de heilige vallei van de Inca’s laden we de mountainbikes op. Zorgvuldig worden de oude, kramakkelige fietsen op het dak van de bus geplaatst.
Gids Carlos, met zijn ogen verstopt achter een zonnebril, stelt zich voor als ‘the princial head guide’ . ‘Dít zijn mijn twee assistenten’, zegt hij al wijzend naar twee jonge Peruvianen. ‘Jullie mogen ons achteraf een fooi geven, dat is meer dan welkom.’
Dat weten we dan ook alweer. Wij denken alleen maar: ‘dikke nek!’.
‘Veiligheid boven alles, jullie zijn hier op vakantie’, waarschuwt hij. We krijgen een helm en handschoenen en worden aangemaand voorzichtig te zijn op de steile afdalingen. ‘Als je moet afstappen, stap dan af!’. Ook een lunchpakket wordt in onze handen geduwd en we krijgen de raad om ons goed in te smeren, de zon is hier fel.
Alpaca’s
Volledig in geïmproviseerde mountainbikeoutfit zijn we klaar om eraan te beginnen. De eerste kilometers daalt het pad licht. Het landschap rondom is fabuleus. Zálig om in de bergen te fietsen. Eeuwen geleden legden de Inca’s tegen de berghellingen terrassen en heiligdommen aan. Overal zien we loslopende dieren: schapen, varkens, maar ook lama’s, vicuña’s en alpaca’s. Als je omhoog kijkt, zie je de besneeuwde bergtoppen van de Andes.
Dan gaat het bergop en meteen hap ik naar adem. Ik steek nog een tandje bij en geraak al bij al nog vlot boven, maar mijn hart bonkt indrukwekkend snel. Op de top probeer ik te recupereren, maar ik vind mijn adem niet terug. Dat heb je dan op een hoogte van 3.500 meter. Bij elke helling ben ik volledig buiten adem en heb ik zelfs pijn aan mijn hart.
De tocht is absoluut indrukwekkend, maar het fietsmateriaal laat te wensen over. Een van mijn reisgenoten is zo’n vijf keer van fiets gewisseld. Mijn remmen waren ok en soms kon ik schakelen, dus ik hoorde bij de gelukkigen. Ik heb medelijden met de assistenten, hun fietsen worden compleet gedemonteerd om de anderen uit de nood te helpen. De hoofdgids zet de tocht zelfs voort zonder ketting.
Zout
Onderweg maken we tussenstops. Bij de ruïnes van Moray, nog steeds op 3.450 meter, houden we halt. Dit lijkt op een amfitheater met verschillende terrassen. Het wordt het landbouwkundig laboratorium van de Inca’s genoemd. Moray was dan ook een belangrijk centrum voor landbouwexperimenten.
Lunchen doen we in het dorpje Maras. Daarna bezoeken we nog las Salinas. De zoutpannen met zo’n vierduizend zoutbekkens zijn nog steeds in gebruik. Iedereen haalt meteen zijn fototoestel boven. De witte zoutpannen liggen te blinken in de zon met de bergen op de achtergrond.
Het laatste stuk van de tocht is bergaf. De adrenaline giert door mijn lijf. Vaak is de weg heel steil en overal liggen losse stenen. Behendigheid is een must om het er goed vanaf te brengen. Verkrampt druk ik mijn remmen voortdurend in. Ik ben dan ook een schijtluis die schrik heeft om te vallen. Bovendien vertrouw ik mijn mountainbike voor geen haar. Ik volg de raad op van Carlos, een klein stukje heb ik te voet afgelegd. Het pad liep bijna verticaal!
In de vroege namiddag zit de tocht erop. Urubamba is de eindbestemming. In hostel Amaru I, van dezelfde keten waar we de vorige nacht hebben geslapen, staat onze bagage al op ons te wachten. In totaal hebben we zo rond de dertig kilometer afgelegd.
BRON: destandaard.be
Terug naar het nieuwsoverzicht